Jurisprudentie

Uitspraken over reisaftrek sporen niet

In haar aangifte voor de inkomstenbelasting trekt een werkneemster bij de reisaftrek een bedrag af van bijna 1400 euro. Omdat ze niet meer over de originele plaatsbewijzen beschikt, laat ze de Belastingdienst de reisverklaring van haar werkgever zien en de giroafschriften waaruit blijkt dat ze heeft gereisd met de trein. De Belastingdienst wil echter de originele plaatsbewijzen van de NS zien.
De rechtbank te Haarlem gaat echter helemaal mee met de werkneemster en is van oordeel dat de Belastingdienst buiten de treinkaartjes ook andere bewijzen in bezit heeft dat de werkneemster betaald heeft voor de kaartjes. De werkneemster heeft namelijk de giroafschriften, waar de afschrijvingen zichtbaar zijn.

Verder merkt de rechtbank op dat de reisverklaring van de werkgever ook een middel is om te bewijzen dat de werkneemster regelmatig met de trein heeft gereisd van woonplaats naar de vestigingsplaats van haar werkgever. De werkneemster wordt dan ook in het gelijk gesteld. De Belastingdienst is 'not amused' en gaat in hoger beroep.

Gerechtshof Amsterdam
Het Gerechtshof Amsterdam doet een geheel andere uitspraak en geeft de Belastingdienst gelijk. Volgens het Hof moeten werknemers die gebruikmaken van losse treinkaarten, dit in combinatie met een reisverklaring van de werkgever overleggen bij de inspecteur van de Belastingdienst.

Met deze combinatie kan volgens de rechter een direct verband worden gelegd tussen het woon-werkverkeer en het daadwerkelijk op bepaalde dagen met de trein afgelegde traject. De plaatsbewijzen zijn dus een essentieel onderdeel van het bewijs dat er is gereisd met de trein. De wettelijke uitvoeringsregeling geeft geen ruimte om het op een alternatieve wijze aan de Belastingdienst te leveren. Dit betekent dat de werkneemster toch geen reisaftrek krijgt.

Giroafschriften
In december 2008 deed het Gerechtshof in een te vergelijken zaak een geheel andere uitspraak, eigenlijk zoals de rechtbank in Haarlem ook besloot. Ook hier beschikte de werkneemster niet over de plaatsbewijzen maar wel over de giroafschriften waaruit bleek dat de werkneemster regelmatig met de trein reisde.

In dit geval werd de reisaftrek wel geaccepteerd. De belastinginspecteur in de 2008-zaak had namelijk voor de rechtbank verklaard dat er geen meningsverschil was over het feit of de werknemer met het openbaar vervoer had gereisd en daarvoor had betaald.

Kortom, de discussie ging niet over de reis per trein, want dat stond al vast en er was geen discussie over. De giroafschriften waren dus in dit geval afdoende.

Verschillen
Er was in de eerste zaak blijkbaar twijfel of de werkneemster wel met de trein reisde ondanks dat er voor betaald was. Alsof iemand een treinkaartje koopt om vervolgens met de auto naar het werk te gaan. De verschillen in de uitspraken blijken namelijk erg klein en zijn veroorzaakt door de verklaringen van de verschillende belastingsinspecteurs.

Bron: Hof Amsterdam, 18 juni 2009 [08/00318]

Reacties

Ontvang de nieuwsbrief

Opleidingen

12 oktober 2010 - BCN Utrecht (gratis parkeren!)

Webshop